Sint-Jan Berchmans in het Jezuïetencollege (1615-1617) (2021)

by

In 2021 was het precies 400 jaar geleden dat onze patroonheilige Sint-Jan Berchmans (1599-1621) overleed. In tegenstelling tot de 400ste verjaardag van zijn geboorte, in 1999, heeft dit jubileum geen aanleiding gegeven tot grootse herdenkingen of evenementen. Toch willen we de verjaardag in Het Beertje niet onopgemerkt laten voorbijgaan. In het januarinummer kon u al een biografische schets van de heilige lezen; in juni gingen we in op de lagere middelbare schooltijd van onze Jan. We vernamen hoe hij in 1613, op zijn 14de, leerling werd aan het bisschoppelijk Stadonckcollege in Mechelen. Toen de jezuïeten in Mechelen neerstreken en een eigen middelbare school openden, gaf dit aanleiding tot heel wat wrevel met de bisschop. Het bisschoppelijk college zag met tegenzin één van zijn briljantse leerlingen, Jan Berchmans, in 1615, vertrekken naar het college van de jezuïeten.

Het eigen pedagogisch project van deze nieuwe school, bestond erin om de aangeboren menselijke drang naar eer creatief aan te wenden om het beste uit de jongens naar boven te halen. Klassen werden onderverdeeld in twee kampen: Romeinen en Carthagers. Aan het hoofd van elk leger stond een "Imperator" of generaal met zijn staf; iedere leerling had zijn tegenstander in het andere kamp, die hij op elk ogenblik tot de strijd kon opvorderen over Griekse werkwoorden, Latijnse verbuigingen, catechismusvragen enz. Om de trouw van de troepen aan hun generaal te verzekeren, en om zodoende aan de beste leerlingen van de klas een zeker overwicht over de anderen te verschaffen, werd aan de Imperatoren soms toegestaan amnestie van schoolstraffen te verlenen aan bijzonder verdienstelijke krijgers. Om de maand werd, naarmate de bekomen uitslagen, de generale staf vernieuwd.

Jan bleef de primus van zijn klas, wat best opmerkelijk was. Zijn medeleerlingen waren van betere komaf dan hij, eenvoudige schoenmakerszoon. Hij moest in zijn vrije tijd bijklussen om zijn studies te financieren en bovendien had hij in het Stadonckcollege nooit Grieks geleerd. Bij de overstap naar de jezuïeten moest hij zijn achterstand zelfstandig bijwerken.

Volgens latere getuigenissen van zijn toenmalige klasgenoten, was Jan een brave jongen. In de 17de eeuw werd sportbeoefening niet op dezelfde manier naar waarde geschat als vandaag. Meer nog, het schoolreglement verbood kinderen zich over te geven aan verderfelijke activiteiten zoals zwemmen, schaatsen “en andere winterse onbehoorlijkheden”, en zelfs het in de Nederlanden tot op de dag van vandaag zo geliefde kaatsspel. Jan was echter niet sportief; met name aan zwemmen scheen hij een hartsgrondige hekel te hebben. Zulke verboden deerden hem dus niet erg. Niettemin was hij toch populair bij zijn medeleerlingen.

Jan ontpopte zich evenwel tot een zeer verdienstelijke toneelspeler. Opvallend is het hoe hem steeds de mooiste rollen werden gegeven. Zo vertolkte hij onder meer de profeet Daniël en trad hij eenmaal op in de rol van de H. Martelares (!) Nathalia.

Via het toneelspel krijgen we ook een inkijk in Sint-Jans levenshouding en ontluikende roeping. Voor de grote publieke toneelopvoering, die op 5 juli 1616 voor de notabelen van Mechelen zou plaatshebben, had men als stuk gekozen een "Blij-eyndigh treurspel" van Sint-Hendrik en Sinte-Cunegonde. De rhetoricastudenten zouden het stuk voor het voetlicht brengen. De Keizer Hendrik-rol kon moeilijk aan iemand beter gegeven worden dan aan Jan, de Imperator van de klas, die trouwens inzake toneelspel niet aan zijn proefstuk toe was. Jan had het aanbod dankbaar aanvaard. Hij hield niet van complimenten; de rol beviel hem werkelijk en hij hoopte er iets goeds van terecht te brengen. Bij de 500 verzen had hij reeds van buiten geleerd, toen men bij één van de repetities tot de bevinding kwam, dat zijn stem te zwak was om zo'n zware rol in open lucht vol te houden. Daar was nu eenmaal niets aan te doen: Keizer Jan werd onttroond. Een ogenblik treurde hij toen hem de mooie rol ontnomen werd. Hij had er zoveel van verwacht, en voelde nu zoveel dieper de ontgoocheling. Het was immers in die periode dat hij zijn zinnen had gezet op het kloosterleven. Daarom ook was hem de Keizer-Hendrik-rol zo lief, omdat erin voorgesteld werd hoe de vrome vorst gelofte van kuisheid aflegde... Geen enkel spijtig woord liet hij zich echter ontvallen; hij bracht het offertje, en was weer gelukkig. Met zo veel toewijding speelde hij het kleine rolletje dat hij in de plaats kreeg, dat het zo'n succes werd, dat men er later nog van sprak.

Naar het einde van zijn middelbare schooltijd ontkiemde in Jan het verlangen zijn leven aan God te geven en toe te treden tot de orde der Jezuïeten. Als de tijd en de ruimte het toelaten, zullen we ook over deze volgende levensfaze een bijdrage schrijven in een toekomstige editie van Het Beertje.

Mathias Van Aken (94LAGR) in Het Beertje nr. 349 (december 2021)

Wat voorafging: Sint-Jan Berchmans in de 'Grootschole'