Wat is vrijheid? (2022)

by

Vrijheid. Graag wil ik met jullie van gedachten wisselen over dit zo essentiële begrip. Vrijheid was blijkbaar hét slachtoffer bij uitstek van corona: het breken van de corona-ketenen werd immers gelijkgesteld met het opnieuw verwerven van het rijk der vrijheid. Wat leert ons dit nu over de invulling van het begrip vrijheid en bij uitbreiding, wat leert dit ook over onszelf?

Vrijheid. Wellicht niemand van ons gelooft in absolute vrijheid. Vrijheid heeft zijn grenzen en traditioneel leggen we die grens op het punt waar onze vrijheid die van een ander hypothekeert, in gevaar brengt. Daarmee vullen we het begrip vrijheid heel individualistisch in en leggen we tegelijk de grens buiten onszelf en wordt de weerbaarheid van de ander meteen ook wel het ijkpunt. De ander moet aangeven waar mijn invulling van mijn vrijheid voor hem of haar een ongeoorloofde impact heeft. Vertrekt die idee dan ook niet stilzwijgend van het onderliggende statement dat eenieder met dezelfde kansen aan de start verschijnt en dus weerbaar is? Is iedereen gelijk behandelen niet een grote, misschien wel de grootste vorm van onrecht? Zou het niet sterker zijn als we bij het begrenzen van onze vrijheid niet van een extern criterium – de vrijheid van de ander – vertrekken maar van interne criteria? Durven we onszelf voor de spiegel plaatsen en de ongemakkelijke want aartsmoeilijke vraag stellen aan welke criteria wij onze invulling van het begrip vrijheid willen toetsen? Kunnen en durven wij die bezinning over normen en waarden aan? Ben ik te pessimistisch als ik stel dat het vrijheidsdiscours in onze samenleving al te vaak ontaard is in een egocentrische kreet en dat het ideaal van vrijheid als invulling van persoonlijk consumptieverlangen leidde tot een weigering van verantwoordelijkheid voor onze medemens? Leidde onze invulling van vrijheid als “het in alle rust van je leven en eigendommen genieten” er niet toe dat wij het steeds moeilijker hebben om constructieve en duurzame onderlinge banden te smeden?

Zou het niet sterker zijn als we bij het begrenzen van onze vrijheid niet van een extern criterium – de vrijheid van de ander – vertrekken maar van interne criteria?

Het risico is reëel dat ik hier als een soort zedenprediker ga functioneren of toch minstens zo gepercipieerd zal worden. Een zedenprediker heeft immers meer de neiging de hand in andermans boezem dan wel in eigen boezem te steken. Vaak reageren we op een zedenprediker met de vraag of hij dan wel zelf zo perfect is en zich niet bezondigt aan wat hij aanklaagt, en zolang dat niet is, zijn wijzelf vrijgesteld van enige actie. Alsof je zelf een ei moet kunnen leggen om te oordelen of een ei goed of slecht is. Maar aan zulke sofismen hebben jullie wellicht geen boodschap en daarom wil ik graag even een zijsprongetje maken en al is het geen individuele dan wel collectieve schuld belijden.

Al 50 jaar geleden, in 1972, verscheen het alarmerend rapport van de Club van Rome waarin gesteld werd dat, als er geen grenzen aan de groei gesteld werden, dit tot rampen zou leiden. Wij hebben vrijheid heel beperkt ingevuld tot de vrijheid van consumeren. Welvaart als zoete vrucht van ons ongebreideld consumeren wiegde ons als het ware in slaap en ontnam ons onze bereidheid om offers te brengen. Offers brengen, waar kan dat nu goed voor zijn? Wellicht is de kans dat iemand van ons een spontane positieve connotatie maakt bij het begrip offer heel klein. Zou het niet fantastisch zijn als wij collectief naar een offer zouden kunnen kijken als zelfgave waarbij de ander centraal staat en waarvan een onvoorwaardelijke liefde de voedende bron is? Het offer niet als het opgeven of afstaan van iets, het offer niet als verlies, maar als daad van medemenselijkheid, een daad van liefde, een daad van winst.

Graag verbind ik hieraan een idee dat ik onlangs in een interview las: “het tegendeel van goedheid is niet zozeer slechtheid maar onverschilligheid.” Betrokkenheid als tegenpool van onverschilligheid is dan een concrete invulling van goedheid. Als we zo vrijheid begrijpen als de kans om onze betrokkenheid op de ander vorm te geven zullen we ongetwijfeld veel spaarzamer met deze kostbare verworvenheid omgaan en niet dulden dat het opheffen van wat consumptiebeperkende coronamaatregelen gelijk gesteld wordt met het verwerven van het rijk der vrijheid. Graag trek ik ook nog even mijn gedachteoefening open naar de politiek-maatschappelijke dimensie van onze of - als u het helemaal oneens bent met mijn ideeën - mijn invulling van het begrip vrijheid als kans om keuzes te maken waarbij de ander het vertrekpunt vormt.

Democratie is een opdracht die naast wetten en rechten ook een ethiek veronderstelt.

Politiek-maatschappelijk stellen wij vrijheid gelijk met een democratie. Die specifieke staatsvorm is de vrucht van een lange ontwikkeling in onze westerse cultuur, gevoed door heel wat denkers in een continu en nooit afgerond proces van vallen en opstaan. Democratie is echter nooit een verworvenheid ten eeuwige dage. Democratie is een opdracht die naast wetten en rechten ook een ethiek veronderstelt. Vrijheid is niet enkel een juridisch concept, het  is ook een moreel begrip. We leven vandaag in een crisis en crisissen zijn momenten van waarheid die tot beslissingen dwingen. Ons democratisch systeem ligt onder een hevig spervuur van kritiek, misschien juist omdat die ethische component, die ethische onderlaag ons niet meer collectief gemakkelijk zit juist omwille van die egocentrische invulling van het begrip vrijheid. Toenemende ongelijkheid, uitholling van mensenrechten, populisme, anti-intellectualisme, ongebreideld neoliberalisme, racisme en extremisme moeten ons allen alarmeren. Zijn wij bereid op die prangende vraag naar ethiek een antwoord te geven? Een antwoord dat niet vertrekt van onszelf maar vanuit het appèl dat uitgaat van de ander? Simplismen kunnen daarbij nooit het juiste antwoord zijn.

Uit de toespraak van directeur E. Van Huffelen ter gelegenheid van de afstudeerplech-tigheid voor de leerlingen van het schooljaar 2021-22.

Uit: Het Beertje nr. 352 (september 2022)